Энциклопедия жизни
      Главная страница Информация и опыт Ответы на вопросы Ссылки Каталог страничек
      >> Другие рассказы
        >> "Уроки грамматики"

      Грамматика с ... Rambler's Top100 Ольгой Гурьяновой

      Группы неправильных глаголов

      Глаголы с изменением корневой гласной (* - пояснения о правилах употребления hebben/zijn см. ниже.)

      IJ -> EE
      Неопределенная
      форма глагола
      Простое прош. время
      Ед./ множ. число
      Причастие прош. врем.
      Voltooid deelwoord
      Перевод
      Bijten
      Blijken
      Blijven
      Drijven
      Glijden
      Grijpen
      Hijsen
      Kijken
      Knijpen
      Krijgen
      Lijden
      Lijken
      Mijden
      Prijzen
      Rijden
      Rijgen
      Rijzen
      Schijnen
      Schrijden
      Schrijven
      Slijpen
      Slijten
      Smijten
      Snijden
      Spijten
      Splijten
      Stijgen
      Stijven
      Strijden
      Strijken
      Verdwijnen
      Verwijten
      Wijken
      Wijzen
      Wrijven
      Zwijgen
      Beet / beten
      Bleek / bleken
      Bleef / bleven
      Dreef / dreven
      Gleed / gleden
      Greep / grepen
      Hees / hezen
      Keek / keken
      Kneep / knepen
      Kreeg / kregen
      Leed / leden
      Leek / leken
      Meed / meden
      Prees / prezen
      Reed / reden
      Reeg / regen
      Rees / rezen
      Scheen / schenen
      Schreed / schreden
      Schreef / schreven
      Sleep / slepen
      Sleet / sleten
      Smeet / smeten
      Sneed / sneden
      Speet / speten
      Spleet / spleten
      Steeg / stegen
      Steef / steven
      Streed / streden
      Streek / streken
      Verdween / verdwenen
      Verweet / verweten
      Week / weken
      Wees / wezen
      Wreef / wreven
      Zweeg / zwegen
      Gebeten (hebben/zijn) *
      Gebleken (zijn)
      Gebleven (zijn)
      Gedreven (hebben/zijn)
      Gegleden (hebben/zijn)
      Gegrepen
      Gehesen
      Gekeken
      Geknepen
      Gekregen
      Geleden
      Geleken
      Gemeden
      Geprezen
      Gereden (hebben/zijn)
      Geregen
      Gerezen (zijn)
      Geschenen
      Geschreden
      Geschreven
      Geslepen
      Gesleten (zijn)
      Gesmeten
      Gesneden
      Gespeten
      Gespleten (zijn)
      Gestegen (zijn)
      Gesteven
      Gestreden
      Gestreken
      Verdwenen (zijn)
      Verweten
      Geweken (zijn)
      Gewezen
      Gewreven
      Gezwegen
      Кусать, укусить
      Оказаться, выясниться
      Остаться
      Плавать, дрейфовать
      Скользить
      Хватать
      Поднять
      Смотреть
      Щипать
      Получать
      Страдать, нуждаться
      Казаться
      Избежать
      Хвалить
      Ездить
      Нанизывать, шнуровать
      Подняться, встать
      Светить
      Шествовать
      Писать
      Заточить
      Износить
      Швырять
      (На)резать, порезать
      (Со)жалеть
      Колоть
      Повыситься
      Накрахмалить
      Бороться
      Гладить
      Исчезнуть
      Упрекнуть
      Пропустить
      Указать
      Тереть, потирать
      Молчать

      IE -> OO

      Bieden
      Bedriegen
      Genieten
      Gieten
      Kiezen
      Liegen
      Schieten
      Vliegen
      Verliezen
      Vriezen
      Bood / boden
      Bedroog / bedrogen
      Genoot / genoten
      Goot / goten
      Koos / kozen
      Loog / logen
      Schoot / schoten
      Vloog / vlogen
      Verloor / verloren
      Vroor / vroren
      Geboden
      Bedrogen
      Genoten
      Gegoten
      Gekozen
      Gelogen
      Geschoten
      Gevlogen
      Verloren
      Gevroren
      Предлагать
      Обмануть
      Наслаждаться
      Лить
      Выбирать
      Лгать
      Стрелять
      Летать
      Терять
      Морозить

      UI -> OO
      Buigen
      Druipen
      Duiken
      Fluiten
      Kruipen
      Ruiken
      Schuiven
      Sluipen
      Sluiten
      Snuiven
      Snuiten
      Spuiten
      Stuiven
      Zuigen
      Zuipen
      Boog / bogen
      Droop / dropen
      dook / doken
      Floot / floten
      Kroop / kropen
      Rook / roken
      Schoof / schoven
      Sloop / slopen
      Sloot / sloten
      Snoof / snoven
      Snoot / snoten
      Spoot / spoten
      Stoof / stoven
      Zoog / zogen
      Zoop / zopen
      Gebogen
      Gedropen (hebben/zijn)
      Gedoken (hebben/zijn)
      Gefloten
      Gekropen (hebben/zijn)
      Geroken
      Geschoven
      Geslopen (hebben/zijn)
      Gesloten (zijn)
      Gesnoven
      Gesnoten
      Gespoten
      Gestoven (hebben/zijn)
      Gezogen
      Gezopen
      Гнуть
      Капать
      Нырять
      Свистеть
      Ползать
      Пахнуть
      (Подо)двинуть
      Красться
      Закрывать
      Сопеть, пыхтеть
      Сморкаться
      Бить струей
      Пылить
      Сосать
      Выпивать (алкоголь)


      I -> O
      Beginnen
      Binden
      Blinken
      Dringen
      Drinken
      Dwingen
      Glimmen
      Klimmen
      Klinken
      Krimpen
      Schrikken
      Slinken
      Spinnen
      Springen
      Stinken
      Verzinnen
      Vinden
      Winden
      Wringen
      Zingen
      Zinken
      Begon /begonnen
      Bond / bonden
      Blonk / blonken
      Drong / drongen
      Dronk / dronken
      Dwong / dwongen
      Glom / glommen
      Klom / klommen
      Klonk / klonken
      Kromp / krompen
      Schrok / schrokken
      Slonk / slonken
      Spon / sponnen
      Sprong / sprongen
      Stonk / stonken
      Verzon / verzonnen
      Vond / vonden
      Wond / wonden
      Wrong / wrongen
      Zong / zongen
      Zonk / zonken
      Begonnen (zijn)
      Gebonden
      Geblonken
      Gedrongen
      Gedronken
      Gedwongen
      Geglommen
      Geklommen (hebben/zijn)
      Geklonken
      Gekrompen (zijn)
      Geschrokken (zijn)
      Geslonken (zijn)
      Gesponnen
      Gesprongen (hebben/zijn)
      Gestonken
      Verzonnen
      Gevonden
      Gewonden
      Gewrongen
      Gezongen
      Gezonken (zijn)
      Начинать
      Вязать, связывать
      Блестеть
      Теснить, стеснять
      Пить
      Заставить, вынудить
      Лосниться, блестеть
      Лазить, забраться
      Звучать
      Сокращаться, съёживаться
      (Ис)пугаться
      Уменьшиться
      Прясть
      Прыгать
      Вонять
      Придумать
      Находить
      Обвить (вокруг)
      Выжать, отжать
      Петь
      Тонуть


      E ->O
      Gelden
      Schelden
      Schenden
      Schenken
      Treffen
      Trekken
      Vechten
      Vlechten
      Zenden
      Zwellen
      Zwemmen
      Gold / golden
      Schold / scholden
      Schond / schonden
      Schonk / schonken
      Trof / troffen
      Trok / trokken
      Vocht / vochten
      Vlocht / vlochten
      Zond / zonden
      Zwol / zwollen
      Zwom / zwommen
      Gegolden
      Gescholden
      Geschonden
      Geschonken
      Getroffen
      Getrokken
      Gevochten
      Gevlochten
      Gezonden
      Gezwollen (zijn)
      Gezwommen (hebben/zijn)
      Иметь силу, оставаться в силе
      Ругаться, браниться
      Нарушить
      Наливать, дарить
      Попадать в цель, достигать
      Тянуть, тащить
      Драться
      Плести
      Послать
      Пухнуть
      Плыть, плавать


      E -> OO
      Scheren
      Wegen
      Schoor / schoren
      Woog / wogen
      Geschoren
      Gewogen
      Стричь, брить, подстригать
      Весить, взвешивать


      Глаголы с "неправильной формой" прошедшего времени, но "правильной" в причастии прошедшего времени:
      Vragen
      Zeggen
      Vroeg / vroegen
      Zei / zeiden
      Gevraagd
      Gezegd
      Спрашивать
      Сказать


      Глаголы с обычной (слабой) формой прошедшего времени и Причастием прошедшего времени с окончанием -en
      Bakken
      Barsten
      Heten
      Lachen
      Laden
      Malen
      Raden
      Scheiden
      Spannen
      Stoten
      Vouwen
      Wassen
      Zouten
      Bakte / bakten
      Barstte / barstten
      Heette / heetten
      Lachte / lachten
      Laadde / laadden
      Maalde / maalden
      Raadde / raadden
      Scheidde / scheidden
      Spande / spanden
      Stootte / stootten
      Vouwde / vouwden
      Waste / wasten
      Zoutte / zoutten
      Gebakken
      Gebarsten (zijn)
      Geheten
      Gelachen
      Geladen
      Gemalen
      Geraden
      Gescheiden
      Gespannen
      Gestoten
      Gevouwen
      Gewassen
      Gezouten
      Печь
      Дать трещину, треснуть
      Звать, называться
      Смеяться
      Грузить, зарядить
      Молоть
      Советовать
      Отделять, разделять
      Напрячь, взвести
      Толкнуть
      Сложить, сплести
      Мыть, стирать
      Посолить, засолить


      Глаголы с неправильной формой прошедшего времени и причастием прошедшего времени с окончанием -d / -t
      Brengen
      Denken
      Kopen
      Zoeken
      Hebben
      Zijn
      Bracht / brachten
      Dacht / dachten
      Kocht / kochten
      Zocht / zochten
      Had / hadden
      Was / waren
      Gebracht
      Gedacht
      Gekocht
      Gezocht
      Gehad
      Geweest (zijn)
      Нести, везти
      Думать
      Купить
      Искать
      Иметь
      Быть, являться


      Глаголы с изменением корневой гласной в прошедшем времени и причастием прошедшего времени с окончанием -en
      Blazen
      Dragen
      Eten
      Genezen
      Geven
      Graven
      Houden
      Komen
      Lezen
      Laten
      Lopen
      Meten
      Moeten
      Slapen
      Treden
      Vergeten
      Vallen
      Vangen
      Varen
      Vreten
      Weten
      Worden
      Blies / bliezen
      Droeg / droegen
      At / aten
      Genas / genazen
      Gaf / gaven
      Groef / groeven
      Hield / hielden
      Kwam / kwamen
      Las / lazen
      Liet / lieten
      Liep / liepen
      Mat / maten
      Moest / moesten
      Sliep / sliepen
      Trad / traden
      Vergat / vergaten
      Viel / vielen
      Ving / vingen
      Voer / voeren
      Vrat / vraten
      Wist / wisten
      Werd / werden
      Geblazen
      Gedragen
      Gegeten
      Genezen
      Gegeven
      Gegraven
      Gehouden
      Gekomen (zijn)
      Gelezen
      Gelaten
      Gelopen (hebben, zijn)
      Gemeten
      Gemoeten
      Geslapen
      Getreden
      Vergeten
      Gevallen (zijn)
      Gevangen
      Gevaren (hebben, zijn)
      Gevreten
      Geweten
      Geworden (zijn)
      Дуть
      Носить
      Есть, кушать
      Вылечиться, выздороветь
      Давать
      Копать, рыть
      Держать, хранить
      Прийти, приехать
      Читать
      Позволять
      Идти
      Измерять
      Долженствовать
      Спать
      Топтать, ступить
      Забыть
      Упасть
      Поймать
      Плыть (пароходом)
      Есть (о животн.), жрать
      Знать
      Становиться


      Полностью неправильные глаголы
      Bidden
      Liggen
      Zitten
      Bad / baden
      Lag / lagen
      Zat / zaten
      Gebeden
      Gelegen
      Gezeten
      Молиться
      Лежать
      Сидеть

      Bederven
      Helpen
      Sterven
      Werpen
      Werven
      Zwerven
      Bedierf / bedierven
      Hielp / hielpen
      Stierf / stierven
      Wierp / wierpen
      Wierf / wierven
      Zwierf / zwierven
      Bedorven (zijn)
      Geholpen
      Gestorven (zijn)
      Geworpen
      Geworven
      Gezworven
      Испортить
      Помогать
      Умереть
      Бросить, кинуть
      Вербовать
      Бродить

      Bevelen Bevel / bevalen Bevolen Приказывать

      Breken
      Nemen
      Spreken
      Stelen
      Steken
      Brak / braken
      Nam / namen
      Sprak / spraken
      Stal / stalen
      Stak / staken
      Gebroken
      Genomen
      Gesproken
      Gestolen
      Gestoken
      Ломать
      Взять, принять
      Говорить
      Красть, воровать
      Жалить, колоть

      Zweren
      Heffen
      Scheppen
      Zwoer / zwoeren
      Hief / hieven
      Schiep / schiepen
      Gezworen
      Geheven
      geschapen
      Клясться / гноиться
      Поднять, взыскать
      Создать, зачерпнуть

      Gaan
      Staan
      Zien
      Doen
      Slaan
      Kunnen
      Mogen
      Zullen
      Ging / gingen
      Stond / stonden
      Zag / zagen
      Deed / deden
      Sloeg / sloegen
      Kon / konden
      Mocht / mochten
      Zou / zouden
      Gegaan (zijn)
      Gestaan
      Gezien
      Gedaan
      Geslagen
      Gekund
      Gemogen
      ---
      Идти
      Стоять
      Видеть
      Делать
      Бить, хлестать
      Мочь (быть в состоянии)
      Мочь (иметь позволение)
      Быть (вспом. гл. будущего врем.)

      Большинство глаголов в перфекте (voltooide tijd) имеют причастие прошедшего времени в сочетании с hebben:

        Ik heb een brief geschreven. - Я написал письмо.

      Существуют глаголы, что употребляются как с hebben, так и с zijn (см. таблицу):
      Это глаголы изменения состояния, либо движения. При указании направления (naar) следует ВСЕГДА использовать zijn:

        Ik heb in de rivier gezwommen. - Я поплавал (-а) в реке.
        Ik ben naar de overkant gezwommen. - Я сплавал на другой берег.

        Hij heeft in het strand gelopen. - Он походил по пляжу.
        Hij is naar het strand gelopen. - Он сходил на пляж.

      В случае с такими глаголами как, например, bijten выбор вспомогательного глагола зависит от ситуации: в обычном случае употребляется hebben:

        Ik heb mijn lip gebeten. - Я прикусил губу.

      В случае страдательного залога употребляется zijn:

        Hij was door mijn hamster gebeten. - Его укусил мой хомяк.

      Некоторые глаголы употребляются только с zijn (см. таблицу).

        Ik ben begonnen. - Я начал.
        Ik ben naar huis gegaan. - Я ушел/ушла домой.


      Ольга Гурьянова

      Все права сохранены © 2004
      Перепечатка текста без согласия автора запрещается

      Отрицание Грамматика с Леной Херменс

      Rambler's Top100