|
|
Грамматика с ...
Ольгой Гурьяновой
IJ -> EE
| Неопределенная форма глагола | Простое прош. время Ед./ множ. число | Причастие прош. врем. Voltooid deelwoord | Перевод |
| Bijten Blijken Blijven Drijven Glijden Grijpen Hijsen Kijken Knijpen Krijgen Lijden Lijken Mijden Prijzen Rijden Rijgen Rijzen Schijnen Schrijden Schrijven Slijpen Slijten Smijten Snijden Spijten Splijten Stijgen Stijven Strijden Strijken Verdwijnen Verwijten Wijken Wijzen Wrijven Zwijgen | Beet / beten Bleek / bleken Bleef / bleven Dreef / dreven Gleed / gleden Greep / grepen Hees / hezen Keek / keken Kneep / knepen Kreeg / kregen Leed / leden Leek / leken Meed / meden Prees / prezen Reed / reden Reeg / regen Rees / rezen Scheen / schenen Schreed / schreden Schreef / schreven Sleep / slepen Sleet / sleten Smeet / smeten Sneed / sneden Speet / speten Spleet / spleten Steeg / stegen Steef / steven Streed / streden Streek / streken Verdween / verdwenen Verweet / verweten Week / weken Wees / wezen Wreef / wreven Zweeg / zwegen | Gebeten (hebben/zijn) * Gebleken (zijn) Gebleven (zijn) Gedreven (hebben/zijn) Gegleden (hebben/zijn) Gegrepen Gehesen Gekeken Geknepen Gekregen Geleden Geleken Gemeden Geprezen Gereden (hebben/zijn) Geregen Gerezen (zijn) Geschenen Geschreden Geschreven Geslepen Gesleten (zijn) Gesmeten Gesneden Gespeten Gespleten (zijn) Gestegen (zijn) Gesteven Gestreden Gestreken Verdwenen (zijn) Verweten Geweken (zijn) Gewezen Gewreven Gezwegen |
Кусать, укусить Оказаться, выясниться Остаться Плавать, дрейфовать Скользить Хватать Поднять Смотреть Щипать Получать Страдать, нуждаться Казаться Избежать Хвалить Ездить Нанизывать, шнуровать Подняться, встать Светить Шествовать Писать Заточить Износить Швырять (На)резать, порезать (Со)жалеть Колоть Повыситься Накрахмалить Бороться Гладить Исчезнуть Упрекнуть Пропустить Указать Тереть, потирать Молчать |
IE -> OO
|
Bieden Bedriegen Genieten Gieten Kiezen Liegen Schieten Vliegen Verliezen Vriezen | Bood / boden Bedroog / bedrogen Genoot / genoten Goot / goten Koos / kozen Loog / logen Schoot / schoten Vloog / vlogen Verloor / verloren Vroor / vroren | Geboden Bedrogen Genoten Gegoten Gekozen Gelogen Geschoten Gevlogen Verloren Gevroren |
Предлагать Обмануть Наслаждаться Лить Выбирать Лгать Стрелять Летать Терять Морозить |
UI -> OO
| Buigen Druipen Duiken Fluiten Kruipen Ruiken Schuiven Sluipen Sluiten Snuiven Snuiten Spuiten Stuiven Zuigen Zuipen | Boog / bogen Droop / dropen dook / doken Floot / floten Kroop / kropen Rook / roken Schoof / schoven Sloop / slopen Sloot / sloten Snoof / snoven Snoot / snoten Spoot / spoten Stoof / stoven Zoog / zogen Zoop / zopen | Gebogen Gedropen (hebben/zijn) Gedoken (hebben/zijn) Gefloten Gekropen (hebben/zijn) Geroken Geschoven Geslopen (hebben/zijn) Gesloten (zijn) Gesnoven Gesnoten Gespoten Gestoven (hebben/zijn) Gezogen Gezopen |
Гнуть Капать Нырять Свистеть Ползать Пахнуть (Подо)двинуть Красться Закрывать Сопеть, пыхтеть Сморкаться Бить струей Пылить Сосать Выпивать (алкоголь) |
I -> O
| Beginnen Binden Blinken Dringen Drinken Dwingen Glimmen Klimmen Klinken Krimpen Schrikken Slinken Spinnen Springen Stinken Verzinnen Vinden Winden Wringen Zingen Zinken | Begon /begonnen Bond / bonden Blonk / blonken Drong / drongen Dronk / dronken Dwong / dwongen Glom / glommen Klom / klommen Klonk / klonken Kromp / krompen Schrok / schrokken Slonk / slonken Spon / sponnen Sprong / sprongen Stonk / stonken Verzon / verzonnen Vond / vonden Wond / wonden Wrong / wrongen Zong / zongen Zonk / zonken | Begonnen (zijn) Gebonden Geblonken Gedrongen Gedronken Gedwongen Geglommen Geklommen (hebben/zijn) Geklonken Gekrompen (zijn) Geschrokken (zijn) Geslonken (zijn) Gesponnen Gesprongen (hebben/zijn) Gestonken Verzonnen Gevonden Gewonden Gewrongen Gezongen Gezonken (zijn) |
Начинать Вязать, связывать Блестеть Теснить, стеснять Пить Заставить, вынудить Лосниться, блестеть Лазить, забраться Звучать Сокращаться, съёживаться (Ис)пугаться Уменьшиться Прясть Прыгать Вонять Придумать Находить Обвить (вокруг) Выжать, отжать Петь Тонуть |
E ->O
| Gelden Schelden Schenden Schenken Treffen Trekken Vechten Vlechten Zenden Zwellen Zwemmen | Gold / golden Schold / scholden Schond / schonden Schonk / schonken Trof / troffen Trok / trokken Vocht / vochten Vlocht / vlochten Zond / zonden Zwol / zwollen Zwom / zwommen | Gegolden Gescholden Geschonden Geschonken Getroffen Getrokken Gevochten Gevlochten Gezonden Gezwollen (zijn) Gezwommen (hebben/zijn) |
Иметь силу, оставаться в силе Ругаться, браниться Нарушить Наливать, дарить Попадать в цель, достигать Тянуть, тащить Драться Плести Послать Пухнуть Плыть, плавать |
E -> OO
| Scheren Wegen | Schoor / schoren Woog / wogen | Geschoren Gewogen |
Стричь, брить, подстригать Весить, взвешивать |
Глаголы с "неправильной формой" прошедшего времени,
но "правильной" в причастии прошедшего времени:
| Vragen Zeggen | Vroeg / vroegen Zei / zeiden | Gevraagd Gezegd |
Спрашивать Сказать |
Глаголы с обычной (слабой) формой прошедшего времени и
Причастием прошедшего времени с окончанием -en
| Bakken Barsten Heten Lachen Laden Malen Raden Scheiden Spannen Stoten Vouwen Wassen Zouten | Bakte / bakten Barstte / barstten Heette / heetten Lachte / lachten Laadde / laadden Maalde / maalden Raadde / raadden Scheidde / scheidden Spande / spanden Stootte / stootten Vouwde / vouwden Waste / wasten Zoutte / zoutten | Gebakken Gebarsten (zijn) Geheten Gelachen Geladen Gemalen Geraden Gescheiden Gespannen Gestoten Gevouwen Gewassen Gezouten |
Печь Дать трещину, треснуть Звать, называться Смеяться Грузить, зарядить Молоть Советовать Отделять, разделять Напрячь, взвести Толкнуть Сложить, сплести Мыть, стирать Посолить, засолить |
Глаголы с неправильной формой прошедшего времени и
причастием прошедшего времени с окончанием -d / -t
| Brengen Denken Kopen Zoeken Hebben Zijn | Bracht / brachten Dacht / dachten Kocht / kochten Zocht / zochten Had / hadden Was / waren | Gebracht Gedacht Gekocht Gezocht Gehad Geweest (zijn) |
Нести, везти Думать Купить Искать Иметь Быть, являться |
Глаголы с изменением корневой гласной в прошедшем времени и
причастием прошедшего времени с окончанием -en
| Blazen Dragen Eten Genezen Geven Graven Houden Komen Lezen Laten Lopen Meten Moeten Slapen Treden Vergeten Vallen Vangen Varen Vreten Weten Worden | Blies / bliezen Droeg / droegen At / aten Genas / genazen Gaf / gaven Groef / groeven Hield / hielden Kwam / kwamen Las / lazen Liet / lieten Liep / liepen Mat / maten Moest / moesten Sliep / sliepen Trad / traden Vergat / vergaten Viel / vielen Ving / vingen Voer / voeren Vrat / vraten Wist / wisten Werd / werden | Geblazen Gedragen Gegeten Genezen Gegeven Gegraven Gehouden Gekomen (zijn) Gelezen Gelaten Gelopen (hebben, zijn) Gemeten Gemoeten Geslapen Getreden Vergeten Gevallen (zijn) Gevangen Gevaren (hebben, zijn) Gevreten Geweten Geworden (zijn) |
Дуть Носить Есть, кушать Вылечиться, выздороветь Давать Копать, рыть Держать, хранить Прийти, приехать Читать Позволять Идти Измерять Долженствовать Спать Топтать, ступить Забыть Упасть Поймать Плыть (пароходом) Есть (о животн.), жрать Знать Становиться |
Полностью неправильные глаголы
| Bidden Liggen Zitten | Bad / baden Lag / lagen Zat / zaten | Gebeden Gelegen Gezeten |
Молиться Лежать Сидеть |
| Bederven Helpen Sterven Werpen Werven Zwerven | Bedierf / bedierven Hielp / hielpen Stierf / stierven Wierp / wierpen Wierf / wierven Zwierf / zwierven | Bedorven (zijn) Geholpen Gestorven (zijn) Geworpen Geworven Gezworven |
Испортить Помогать Умереть Бросить, кинуть Вербовать Бродить |
| Bevelen | Bevel / bevalen | Bevolen | Приказывать |
| Breken Nemen Spreken Stelen Steken | Brak / braken Nam / namen Sprak / spraken Stal / stalen Stak / staken | Gebroken Genomen Gesproken Gestolen Gestoken |
Ломать Взять, принять Говорить Красть, воровать Жалить, колоть |
| Zweren Heffen Scheppen | Zwoer / zwoeren Hief / hieven Schiep / schiepen | Gezworen Geheven geschapen |
Клясться / гноиться Поднять, взыскать Создать, зачерпнуть |
| Gaan Staan Zien Doen Slaan Kunnen Mogen Zullen | Ging / gingen Stond / stonden Zag / zagen Deed / deden Sloeg / sloegen Kon / konden Mocht / mochten Zou / zouden | Gegaan (zijn) Gestaan Gezien Gedaan Geslagen Gekund Gemogen --- |
Идти Стоять Видеть Делать Бить, хлестать Мочь (быть в состоянии) Мочь (иметь позволение) Быть (вспом. гл. будущего врем.) |
Большинство глаголов в перфекте (voltooide tijd) имеют причастие прошедшего времени в сочетании с hebben:
Существуют глаголы, что употребляются как с hebben, так и с zijn (см. таблицу):
Это глаголы изменения состояния, либо движения. При указании направления (naar) следует ВСЕГДА использовать zijn:
Hij heeft in het strand gelopen. - Он походил по пляжу.
Hij is naar het strand gelopen. - Он сходил на пляж.
В случае с такими глаголами как, например, bijten выбор вспомогательного глагола зависит от ситуации: в обычном случае употребляется hebben:
В случае страдательного залога употребляется zijn:
Некоторые глаголы употребляются только с zijn (см. таблицу).
Ольга Гурьянова
![]() |
![]() |