Ik heet …

— Ik heet Jan. Mijn naam is Jan. Ik ben de leraar. Ik geef jullie les. Jullie krijgen nu Nederlandse les. Wij zitten in de klas. We zitten op een stoel en aan een tafel. Heeft iedereen een boek? Hoeveel leerlingen zitten er in de klas? Vijftien: tien jongens en vijf meisjes.
— Hoe heet jij? Hoe heet u?
— Ik heet Anita.
— Dag Anita!
— Dag meneer!
— Uit welk land kom jij? Uit welk land komt u?
— Ik kom uit …
— Ik kom uit Nederland. Jullie komen niet uit Nederland. Ik woon in Nederland. Waar wonen jullie?
— Wij wonen nu ook in Nederland.
— Waar woon jij? Waar woont u?
— Ik woon nu in Nederland.
— In welke stad en in welke straat?

Ik leer Nederlands

— Waarom leren jullie Nederlands?
— Omdat we in Nederland wonen. In Nederland spreekt men Nederlands. In Nederland spreekt iedereen Nederlands.
— Spreek jij al een beetje Nederlands?
— Nee, ik ken nog geen Nederlands. Ik ga nu Nederlands leren.
— Wie kent al een beetje Nederlands? Niemand?
— Ik! Ik ken al een paar woorden, maar niet veel.
— Hoe heet jij? Wat is jouw naam? Hoe heet u? Wat is uw naam?
— Anwar. Mijn naam is Anwar.
— Hoe oud ben je? Wanneer ben je geboren? Wat is je leeftijd?
— Twintig. Ik ben twintig jaar.
— Hoe lang woon jij al in Nederland?
— Twee maanden.
— O, daarom ken jij al een beetje Nederlands. Daarom begrijp je al een beetje Nederlands. Woon je ver weg?
— Nee, ik woon dichtbij.
— Kom je lopend, per fiets of per auto? En wie komt met de trein?
— Ik kom op de fiets.

Nederlands is gemakkelijk

Ik spreek langzaam. Ik spreek heel langzaam. Ik spreek niet snel, want jullie begrijpen nog geen Nederlands — jullie kennen nog geen Nederlands. Jullie gaan nu Nederlands leren. Jullie moeten luisteren naar de leraar.
Is Nederlands een moeilijke taal?
Nee, Nederlands is een gemakkelijke taal. Ik vind Nederlands gemakkelijk. Alle talen zijn trouwens gemakkelijk: kleine kinderen spreken immers een taal al goed!
Is rekenen ook gemakkelijk?
Nee, rekenen is moeilijk. Kleine kinderen kunnen welpraten, maar niet rekenen. Op dit moment spreken jullie nog geen Nederlands. Maar over een paar weken spreken jullie al een beetje Nederlands.

Het groene boek

In de les gebruiken we een boek. Het boek heet: «Nederlands voor buitenlanders». De kleur van het boek is groen. We noemen dit boek daarom ook wel: «Het Groene boek». Het bevat ruim tweehonderd bladzijden. Het is dus een vrij dik boek.
Het groene boek bestaat uit:

  • een grammatica,
  • teksten en oefeningen,
  • een alfabetische lijst woorden.

In de grammatica staat hoe je een woord in de juiste vorm moet Zetten. In het Nederlands zeggen we bij voorbeeld:
een boek — twee boeken,
een tafel — een paar tafels.
Je vindt ook in de grammatica dat we zeggen: ik ‘leer’, jij ‘leert’, wij ‘Ieren’, enzovoort. Kijk dus in je grammatica. Daar vind je al deze vormen. Woorden zijn belangrijk. Jullie leren elke dag veel nieuwe woorden. De nieuwe woorden zijn schuin gedrukt. De betekenis van een nieuw woord vind je in de woordenlijst naast deze bladzijde. Alle woorden hebben daar een nummer. Achter in het boek is een lijst met alle woorden en hun nummers. Zo weet je waar de betekenis van elk woord staat. Leer de teksten goed, dan ken je ook snel veel woorden. En dan kunnen we snel Nederlands met elkaar spreken.

De Nederlandse les

De leraar geeft les. Iedereen zwijgt, behalve de leraar. De leerlingen luisteren met aandacht naar de docent. Ze proberen te begrijpen wat hij zegt. Soms vraagt de leraar: ‘Begrijpen jullie wat ik zeg?’ Soms legt hij uit wat een woord betekent, maar meestal is dat niet nodig. Iedereen heeft namelijk een boek: naast eik nieuw woord staat de vertaling. Iedereen heeft natuurlijk ook papier en een pen om te schrijven.
De leraar leest een stukje tekst. Iedereen hoort hoe je de woorden moet uitspreken. Na een paar regels vraagt hij: ‘Wie wil een stukje lezen?’ Niemand geeft antwoord. Veel cursisten zijn bang dat ze fouten maken. Ze durven nog niet te praten. Dat weet de leraar. Hij herhaalt daarom zijn vraag en voegt eraan toe: «Het geeft niet als je fouten maakt. Dat is heel normaal.»

Hoe laat begint de les?

Om negen uur.
— ‘s Ochtends of ‘s avonds?
‘s Ochtends. Dat is tamelijk vroeg. De les begint om precies negen uur. Kom op tijd! Probeer op tijd te komen. Kom niet te laat! Probeer nooit te laat te komen.
De les duurt ongeveer een uur. Dat betekent dat jullie om tien uur klaar zijn. De les eindigt dus om tien uur. ‘s Middags krijgen jullie weer les. Die les begint om drie uur en eindigt om vier uur. Jullie krijgen dus twee keer per dag les: twee keer een uur, dus in totaal twee uur. Morgen en overmorgen krijgen jullie ook les.
— Hoeveel dagen per week hebben we les?
Vijf dagen. jullie krijgen elke dag les, behalve in het weekend. Van maandag tot en met vrijdag hebben jullie elke dag les. Alleen zaterdag en zondag krijgen jullie geen les. Dan ben ik vrij: dan werk ik niet.
— Krijgt iedereen elke dag les?
Nee, niet iedereen. Mensen die werken hebben meestal weinig tijd. Zulke mensen krijgen vaak maar een keer per week, of hoogstens twee keer per week les. Bovendien vinden die lessen meestal ‘s avonds plaats.

Het is vandaag…

— Welke dag is het vandaag?
Het is vandaag dinsdag, de tweede dag van de week. Gisteren was het maandag, de eerste dag van de week en morgen is het woensdag. En overmorgen is het donderdag. Een week telt zeven dagen: maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag. Zondag is de laatste dag van de week. Zaterdag en zondag noemen we ook wel het weekend. In het weekend zijn de meeste mensen vrij. In het weekend werken we meestal niet. We hebben dan tijd om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, aan sport te doen en allerlei andere dingen die we leuk vinden. Op zaterdag zijn de meeste winkels open. Wie in een winkel werkt, werkt dus meestal op zaterdag. Zulke mensen krijgen op een andere dag vrij, bij voorbeeld op maandag.
— Is zondag bij jullie ook de laatste dag van de week?
Een jaar telt twaalf maanden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en december. We kunnen het jaar ook verdelen in vier perioden: de lente, de zomer, de herfst en ten slotte de winter. Zulke perioden van ongeveer drie maanden noemen we seizoenen.

Hoe laat vertrekt de trein?

— Hallo! Dag! Goedemorgen!
— Hoe laat is het?
— Bijna negen uur.
— Oke. Dan wachten we nog even tot het negen uur is.
— Goed, het is nu negen uur. Iedereen is er, behalve Anita. Alleen Anita ontbreekt. Misschien heeft ze de bus of de trein gemist. Weet iemand waar ze woont? Woont ze ver van hier?
— Ik geloof in Rotterdam.
— Dan zal ze wel gauw komen. Er zijn immers veel treinen uit Rotterdam die hier stoppen. Wie weet hoe laat de treinen uit Rotterdam vertrekken?
— Ik. Ik kom ook uit Rotterdam. Elk kwartier vertrekt er een trein uit Rotterdam richting Den Haag/Amsterdam. Bij voorbeeld: kwart voor negen, negen uur, kwart over negen, half tien enzovoort.
— Stopt de trein ook tussen Rotterdam en Den Haag?
— Ja, sommige treinen stoppen bij elk station, maar er zijn ook treinen die pas in Den Haag stoppen.
— Hoe lang doet de trein over de afstand Rotterdam-Den Haag?
— Een directe trein zestien minuten en een trein die wel stopt tussen de achttien en tweeёntwintig minuten. Er zijn namelijk treinen die bij alle stations stoppen en treinen die slechts bij enkele stations stoppen. De trein van een minuut over half acht komt in Den Haag aan om tien voor acht. De trein die veertien voor acht vertrekt, komt aan om vijf over acht.
— Hoeveel kilometer bedraagt de afstand Rotterdam-Den Haag?
Tweeёntwintig km.

Naar de politie

— Heeft iedereen de teksten goed geleerd? Jij ook Anita? Je was gisteren niet aanwezig. Ik heb je gisteren gemist. Waar was je? Waar ben je geweest?
— Ik was bij de politie. Ik ben bij de politie geweest. Ik moest mijn visum in orde maken.
— Duurt dat een hele dag? Heeft dat een hele dag geduurd?
— Het was erg druk bij de politie. Ik moest lang wachten. Ik heb een paar uur gewacht voordat ik aan de beurt was. Ik woon in Rotterdam. Er wonen veel buitenlanders in Rotterdam en daarom is het meestal erg druk bij de politie.
— En is het gelukt met je visum?
— Ja, ik heb nu een visum voor een jaar. Ik heb een visum voor een jaar gekregen. Ik hoef pas over een jaar terug te komen.
— Waar woon je in Rotterdam?
— In de Tooropstraat, een vrij rustige straat. Dat is in het centrum, vlakbij het station. Dat is erg praktisch. Er zijn overal winkels in de buurt en ik verlies geen tijd als ik met de trein ergens heen ga.
— Wonen je ouders ook in Rotterdam?
— Nee, mijn ouders wonen niet in Nederland.
— Hoe woon je in Rotterdam? Heb je een heel huis of alleen een kamer of misschien een paar kamers? Woon je alleen, of samen met andere mensen?
— Ik woon op kamers. Ik heb een kamer waar ik woon en slaap, en een keuken. Een eigen keuken is erg fijn: ik kan dan zelf mijn eten klaar maken. Bovendien is dat goedkoper dan steeds telkens buiten eten.

Nederland is klein

Nederland is een klein land. Nederland telt ruim veertien miljoen inwoners. Dat betekent dat er gemiddeld ongeveer 400 mensen per km2 wonen. Nederland heeft een zeer dichte bevolking. Er is bijna geen ander land in de wereld waar zoveel mensen per km2 wonen.
In Frankrijk wonen slechts 100 mensen per km2 en in Duitsland 120. Vaak denkt men in Europa dat Afrika en Aziё een dichtere bevolking hebben. Die opvatting blijkt verkeerd te zijn. Neem bijvoorbeeld Indonesiё met zesentachtig inwoners per km2 of Egypte met ongeveer 50 inwoners per km2. Er zijn natuurlijk wel bepaalde gebieden in die landen met bijzonder veel inwoners. Op Java telt men bij voorbeeld ruim 750 inwoners per km2.
In Nederland woont bijna iedereen in een dorp of in een stad. Veel mensen werken in de stad, maar wonen in een dorp. Het is moeilijk in een grote stad een goed huis te vinden. Een goed huis is meestal uiterst duur. Wie kan dat betalen?
Ik woon in Amsterdam. Dat is een grote stad. Er zijn in Nederland overigens maar weinig echt grote steden. Amsterdam is de grootste stad met nog lang geen miljoen inwoners. Rotterdam en Den Haag zijn al een stuk kleiner. Utrecht, een zogenaamd grote stad, telt minder dan driehonderdduizend inwoners!
Als we Nederland op dit punt vergelijken met andere landen, dan kunnen we wellicht stellen dat Nederland geen echt grote steden kent.

Thuis

— Jan woonde vroeger in de stad. Jan heeft vroeger in de stad gewoond. Nu woont hij in een dorp, in een rustige, stille straat. Hij kon daar een ruime woning krijgen met een grote tuin voor en achter het huis. In de stad is dat praktisch onmogelijk, behalve wanneer je over veel geld beschikt.
— Hoeveel kamers heeft uw huis?
Vijf: beneden een grote woonkamer en boven vier slaapkamers. Via de trap ga je omhoog. Uiteraard is er ook een keuken. Die is ook redelijk groot. Midden in de keuken staat een tafel. Daaraan eten we. Verder hebben we ook nog veel ruimte in de gang. Daar staan de fietsen en hangen onze jassen. Ja, we zijn heel tevreden met onze woning.
— Is het niet ver van uw werk?
— De afstand tot mijn werk bedraagt ongeveer vijftien kilometer. Dat is niet zo ver. Ik ga meestal met de trein. Dat kost ongeveer dertig minuten. Mijn vrouw gebruikt liever de auto.
— Hebt u ook kinderen?
— Ja, mijn kinderen zitten op school in ons dorp. Het is vlakbij ons huis: op de hoek aan het eind van onze straat. We hebben ook een hond. Onze kinderen houden van dieren.
— Werkt uw vrouw?
— Ja, maar niet de hele dag. Ze werkt halve dagen.
— Komen uw kinderen tussen de middag thuis om te eten?
— Soms, maar meestal blijven ze op school samen met een aantal andere kinderen. Ze kunnen dan met elkaar spelen. Dat vinden ze leuk.

Een probleem

— Ik leer Nederlands, althans: ik probeer Nederlands te leren.
— En, lukt het al een beetje?
— Dat ligt eraan. Soms wel, maar soms lukt het niet zo goed. Er zijn af en toe teksten die erg veel nieuwe woorden bevatten.
— Wat is dan het probleem?
— Ik kan al die woorden niet onthouden. Als we veel nieuwe woorden moeten leren, lopen we de kans dat we ook veel woorden vergeten. De kans is groot dat ik veel woorden vergeet. Laatst bleek dat ik al heel wat woorden was vergeten. Mijn grote angst is dat ik woorden vergeet.
— Hoe leer je dan de woorden? Doe je dat met de woordenlijst?
— Soms wel, dan begrijp ik daarna de tekst beter.
— Dat is verkeerd. Dat is geen goede methode. Zo heb je waarschijnlijk vroeger op school Engels geleerd. Ook tegenwoordig gebeurt dat nog dikwijls. Dat kost teveel tijd. je kunt het best als volgt werken. je leest met aandacht de tekst. Je kunt natuurlijk ook naar de tekst luisteren op de cassette. Zodra je een woord ziet dat je niet kent, kijkje in de lijst wat dat woord betekent. Daarvoor is die lijst bedoeld! Waarschijnlijk moetje dit proces een paar keer herhalen totdat je de tekst begrijpt zonder naar de woordenlijst te kijken. Je kent dan niet alleen een aantal losse woorden, maar je weet ook hoe je die woorden kunt gebruiken.

De bevolking groeit

— De bevolking op aarde wordt steeds groter. Daardoor ontstaan problemen. Waarom groeit de bevolking tegenwoordig sneller dan vroeger? Wie kan mij dat uitleggen? Wie kan dat verklaren? Wie kan voor dit verschijnsel een verklaring geven? Worden er tegenwoordig meer kinderen geboren dan vroeger?
— Nee, er worden eerder minder kinderen geboren. Veel gezinnen, vooral in Europa, maar ook bij voorbeeld in China, hebben maar een of hoogstens twee kinderen. Nee, de oorzaak is dat er nu veel minder mensen sterven. Steeds minder mensen gaan dood. De bevolking neemt toe doordat de mensen langer blijven leven.
— Hoe komt dat?
— Dat heeft verschillende oorzaken. In de eerste plaats is de medische zorg tegenwoordig veel beter dan vroeger. Je vindt overal ziekenhuizen, en er zijn ook veel meer artsen dan vroeger.
In de tweede plaats beschikken we tegenwoordig over betere medicijnen dan vroeger. Vroeger gingen de mensen aan allerlei ziekten dood, terwijl ze nu vaak weer beter worden. Dankzij wetenschappelijk onderzoek beschikken we nu over betere medicijnen dan vroeger. Dankzij de industrie kunnen die medicijnen bovendien vrij goedkoop worden geproduceerd.
In de derde plaats is er voor veel meer mensen genoeg te eten. Helaas geldt dit niet voor alle landen. In landen waar het nauwelijks of nooit regent of waar men oorlog voert, lijden mensen dikwijls honger.

De TV

— Wat heb je gisteren gedaan?
— Ik heb naar de TV gekeken.
— Was er een interessant programma?
— Er was een voetbalwedstrijd: Nederland tegen Engeland.
— Wie heeft gewonnen?
— Nederland. Nederland is erg goed in voetbal. Nederland heeft een aantal zeer sterke en bekende spelers. Eigenlijk gek voor zo’n klein land. Een aantal van hen speelt in het buitenland.
— Waarom zijn ze naar het buitenland vertrokken? Waarom gingen ze weg? — Het schijnt datje daar meer kunt verdienen dan in ons land. In het buitenland, zoals in Italiё of Spanje, kunnen ze sneller rijk worden dan in Nederland.
— Kijkje graag naar sportprogramma’s? Doe je trouwens zelf ook aan sport?
— Tennis vind ik ook een leuke sport, althans om naar te kijken.
— Hoe bedoel je? Je zou niet zelf tennis willen spelen?
— Nee, als je de bal niet goed slaat, moetje hem zelf gaan halen, behalve natuurlijk als je een bekende speler bent. Maar ik ben onbekend. Je loopt voortdurend achter de bal aan in plaats van te spelen.

Familie

De ouders van Henk wonen in Nederland. Ze leven nog allebei. Ze zijn al oud. Henk is hun oudste zoon. Hij heeft nog twee broers en een zus. De ouders van Henk hebben dus vier kinderen: drie jongens en een meisje. De ouders van Henk zijn wel oud, maar gelukkig nog gezond. Ze zorgen voor zichzelf. De vader van Henk is drieёnzeventig, zijn moeder is achtenzestig. Hun dochter, de zus van Henk, woont vlakbij. Soms komt zij haar ouders helpen. Ze is getrouwd en heeft twee kinderen, allebei dochters. Ze woont met haar gezin in een klein huisje aan een brede en drukke straat met veel verkeer.
Haar man komt uit Indonesiё. Hij heeft in Nederland gestudeerd en wil nu hier blijven. Hij is van plan hier te blijven. Zijn familie woont in Indonesiё. Volgend jaar wil hij samen met zijn gezin zijn familie in Indonesiё bezoeken. Dat is een verre reis. Hij heeft zijn familie al lang niet gezien. Zijn ouders willen graag zijn vrouw ontmoeten.
Het hele gezin gaat naar Indonesiё. Dat is een dure reis. Ze gaan met vakantie naar Indonesiё. Ze blijven er vier weken. Ze willen wel langer blijven, maar dat is niet mogelijk, omdat ze maar vier weken vakantie hebben. Dat lijkt heel lang, maar het is in feite kort. Hij heeft een grote familie. Ze moeten al zijn ooms en tantes bezoeken. Dat kost enorm veel tijd, maar het is natuurlijk wel heel gezellig.

Feest

Wanneer vieren mensen feest?
Wanneer zich een bijzondere gelegenheid voordoet. Kun je een voorbeeld geven? O ja, er zijn genoeg voorbeelden. Bij voorbeeld wanneer iemand trouwt. Dat is een heel bijzondere gebeurtenis. De meeste mensen trouwen immers maar een keer in hun leven. Vaak viert men ook feest wanneer men kinderen krijgt. Ook vieren mensen feest ter herinnering aan een speciale gebeurtenis. Men viert feest, omdat men zich een speciale gebeurtenis herinnert. Bij voorbeeld wanneer men vijfentwintig jaar is getrouwd; of wanneer men 25 jaar bij hetzelfde bedrijf werkt. In Nederland vieren de meeste mensen feest wanneer ze jarig zijn. Dit zijn feesten in de persoonlijke sfeer.
Daarnaast zijn er algemene of nationale feestdagen. Op die dagen viert iedereen feest. Dat zijn dus tevens vrije dagen! Een voorbeeld van zo’n nationale feestdag in Nederland is koninginnedag, op 30 april. Feestdagen kunnen per land verschillen, maar de eerste dag van het nieuwe jaar wordt in bijna elk land gevierd. Kerstmis wordt in alle landen gevierd waar veel christenen wonen. Weet je op welke dag Kerstmis valt?
Op 25 december. Iedereen heeft dan vrij, evenals de dag daarop. Iedereen hoopt dus dat Kerstmis niet op zaterdag valt, want dan heeft men immers al vrij! De laatste dag van het jaar — 31 december — werkt bijna niemand meer. Wegens het grote aantal vrije dagen gaan heel wat mensen in de week tussen Kerstmis en Nieuwjaar op vakantie.

Feest 2

— Hoe vieren mensen eigenlijk feest?
Dat is heel verschillend. Voor veel mensen betekent feest: lekker eten. Voor andere mensen betekent feest: niet werken. Sommige mensen willen graag thuis zijn, andere gaan op bezoek bij vrienden of kennissen. Kleine kinderen spelen graag of kijken naar een film. Volgens mijn vrouw is het pas echt feest als er veel mensen zijn. Hiervoor bestaat in het Nederlands een uitdrukking: ‘Hoe meer zielen, hoe meer vreugd’. Dat betekent ‘hoe meer mensen er zijn, hoe meer plezier’. Maar niet iedereen is het met dit standpunt eens. Veel gezinnen zijn tegenwoordig kleiner dan vroeger, maar hebben om die reden tijdens feesten niet minder plezier.

Het lichaam

Het menselijke lichaam lijkt op een machine. We moeten er goed voor zorgen, dan blijft ons lichaam in goede staat. Net als een machine heeft ons lichaam voedsel nodig. Maar met mate, anders worden we te dik. Soms is ons lichaam niet in orde. We zijn dan ziek. Als het ernstig is, laten we ons behandelen door een dokter. Als we een aantal uren hebben gewerkt, heeft ons lichaam behoefte aan rust.
Om gezond te blijven, moeten we voldoende slapen. Net als een machine moet ons lichaam regelmatig in bedrijf zijn. We moeten ons voldoende bewegen. We moeten in beweging blijven. En, als het lichaam ouder wordt, werkt het, precies zoals een machine, minder goed. Onze ogen zien en onze oren horen minder. Onze benen en voeten, maar ook onze armen, handen en vingers bewegen minder snel. Ons haar wordt grijs, verdwijnt voor een deel en soms helemaal. Veel oude mensen krijgen pijn in hun rug of aan hun schouder. Veel mensen krijgen last van hun hart. In de loop der jaren wordt het lichaam minder krachtig. Onze huid wordt droog en ons gezicht wordt minder mooi. Oude mensen gaan vaker naar de dokter.

De dokter

— Bent u wel eens ziek geweest?
— Ja, iedereen is wel eens ziek, maar meestal is het niet ernstig.
— Bent u ooit bij een dokter geweest?
— Ja, maar niet wegens een ziekte. Veel mensen gaan naar de dokter om ziektes te voorkomen. Kleine kinderen gaan in Nederland regelmatig voor onderzoek naar de dokter. Dat onderzoek is gratis. Je hoeft daarvoor niets te betalen. Zo kan een dokter al heel vroeg bepaalde problemen opmerken: zijn de ogen en de oren van het kind in orde? Dat is straks op school belangrijk. Groeit het kind voldoende? Zo niet, wat is daarvan de oorzaak? Het voordeel van dit systeem is dat mensen minder vaak ziek zijn.
De medische zorg is in Nederland als volgt georganiseerd. Aan de basis staat de huisarts. In eerste instantie gaan we dan ook naar de huisarts. Voor de meeste ziektes weet de huisarts een oplossing. Als hij geen oplossing weet of foto’s wil laten maken, stuurt hij je naar de specialist. De meeste specialisten zijn verbonden aan een ziekenhuis. Ben je heel erg ziek, dan moet je in het ziekenhuis blijven. Hoeveel kost een dokter? Een bezoek aan de huisarts kost ongeveer dertig gulden. Komt de huisarts bij je thuis, dan moet je meestal iets meer betalen. Bij een specialist betaal je tussen de vijftig en honderd gulden. Het eerste bezoek is meestal duurder dan het volgende. En lig je in het ziekenhuis, dan moet je per dag tussen de 200 en 300 euro betalen. Dat kan de gemiddelde patiёnt natuurlijk niet betalen. Vrijwel iedereen is dan ook verzekerd tegen kosten bij ziekte. In veel gevallen is dat overigens verplicht. Anders zou je de dokter in het ziekenhuis niet kunnen betalen. En dan raak je bij ziekte dus in nog grotere problemen! Dan levert ziekte ook nog financiёle problemen op.

Источник www.science.uva.nl

2006

Все права сохранены © Перепечатка текста без согласия автора и указания источника запрещается